Dit is waarom extreemrechts in Amerika steeds gevaarlijker wordt

Na de gewelddadige demonstratie in Charlottesville wordt veel gesproken over alt-right, voornamelijk een online fenomeen. Maar extreemrechts in Amerika is de afgelopen decennia pas echt gevaarlijk geworden door de zogenaamde ‘militie-beweging’. De leden van deze private legertjes zijn volgens velen ‘beter bewapend dan de politie’.

Stand-offs tussen burgers en de overheid vormen bijna het culturele hart van Amerika (terug te zien in het archetype van de ‘outlaw’ zoals Jesse James). Het tweede amendement, waarin staat dat burgers wapens mogen dragen, institutionaliseert het idee dat de regering niet volledig te vertrouwen is, en dat je als particulier je zelf moet kunnen verdedigen als het fout gaat.

Vorige weekend waren in Charlottesville niet alleen neonazi’s aanwezig maar ook mannen in gecamoufleerde uniformen met semi-automatische wapens en kogelwerende vesten. Wie waren zij? Om te snappen waar deze milities vandaan komen en waarom ze steeds groter worden, moeten we terug naar begin jaren negentig.

Waco

Een kernmoment in het wantrouwen jegens de overheid is de belegering van een kerk in Waco (Texas) in 1993. Een sekte genaamd Branch Davidians (een soort Zevendagsadventisten) hadden zich onder leiding van cultusbaas David Koresh verschanst in de compound ‘Mount Carmel’. Toen er verhalen naar buiten kwamen van mogelijk seksueel misbruik besloot de FBI in te grijpen met een huiszoeking.

De Branch Davidians dachten daar anders over: ze barricadeerden de deur en een belegering van drie maanden was het gevolg. Het gevolg: 76 doden, waaronder kinderen, vooral dankzij de brand die de sekteleden volgens de autoriteiten zelf zouden hebben aangestoken. De indringende reconstructie van The New York Times is de moeite waard:

Een aantal Amerikanen twijfelde vrijwel meteen aan de officiële lezing. Zij vermoedden dat de overheid verantwoordelijk was voor een slachting, en namen maatregelen: in 1995 pleegde Timothy McVeigh als wraak voor Waco een bomaanslag in Oklahoma City, waarbij 168 mensen om het leven kwamen. Het was de grootste terreuraanslag op Amerikaans grondgebied tot 9/11.

McVeigh’s sympathieën voor extreemrechts waren glashelder: tijdens zijn militaire carrière in de Golf-oorlog Kreeg hij straf voor het kopen van een t shirt waar ‘White power’ op stond.

De persheld van Trump

De boodschap van de milities vond vanaf eind jaren negentig haar weg via de media, met name op lokale radiostations en internet, waar een vrijhaven was gecreëerd voor anti-establishmentgeluiden.

De inmiddels redelijk bekende schok-jock en Trump-fan Alex Jones bouwde zijn carrière op in de nasleep van de Waco-affaire. Via een lokaal radiostation probeerde hij geld in te zamelen voor het bouwen van een nieuwe kerk voor de Branch Davidians (wat hem overigens niet is gelukt).

In de jaren daarna ontpopte hij zich met zijn woedende uitbarstingen en rauwe stem tot de nummer één-complotdenker van Amerika, die keer op keer beweerde dat de overheid zowel achter de slachting in Waco zat als de aanslag in Oklahoma City. De Libertarische politicus Ron Paul, die pleitte voor minder overheid, was een graag geziene gast in de show van Jones in de jaren negentig.

Jones en zijn fans waren van het begin af aan faliekant tegen links, maar ook het mainstream rechts van de Republikeinen kon ze weinig bekoren. Met name na de verrechtsing van de Democraten onder Bill Clinton (een lijn die werd doorgezet door Obama) leek er nauwelijks een verschil te bestaan tussen de twee partijen.

Jones en consorten geloofden steeds meer in een almachtige elite verspreid over meerdere partijen die Amerika wilde verkopen aan het buitenland, constante oorlogen wilden voeren en de vrijheid van burgers steeds meer wilde inperken.

De opkomst van de Tea Party

Tijdens de eerste termijn van Obama ontstond er aan de zijlijn van de Republikeinse partij een beweging die zijn naam ontleende aan een opstand tegen de belastingen die Amerikanen in de achttiende eeuw moesten betalen aan de Britse machthebbers, de zogenaamde Boston Tea Party.

De Tea Party zag in Obama een vermomde socialist en pleitten middels grote demonstraties voor lagere belastingen en soepele regels op het gebied van wapenbezit. Binnen de mainstream van de Republikeinse kon de vrij grote beweging genieten van weinig steun. Het waren de mavericks in de partij die zich daarentegen snel sympathiek toonden: libertariër Ron Paul was een graag geziene spreker op Tea Party-demonstraties, en later was Sarah Palin een vocaal fan van de beweging.

Ook de milities zijn terug

Onder Obama was niet alleen een groei waar te nemen van de support voor conservatievere ideeen binnen rechts, ook het aantal milities steeg.

Boer Cliven Bundy werd in 2014 een nationaal symbool van het verzet tegen de overheid toen hij een zaak won tegen de United States Bureau of Land Management in Nevada. Bundy zou miljoenen aan achterstallige ‘graas-tax’ voor zijn runderen moeten betalen, maar hij betwiste dat.

Bundy kon rekenen op flink wat support van conservatieve geluiden binnen de Republikeinse partij, tot hij onverwacht in een interview zijn mening gaf over zwarte Amerikanen. De ‘negro’ zou volgens hem beter af zijn geweest als slaaf dan als ontvanger van uitkeringen. Met de mainstream steun voor Bundy was het daarna snel gedaan.

Tot slot: Charlottesville

Wat de rol was van de milities in Charlottesville is nog onduidelijk. Leden van de zogenaamde Three Percenters zouden verantwoordelijk zijn geweest voor het neutraliseren van een paar opstootjes tussen demonstranten en tegendemonstranten, en het is niet helemaal helder of ze daar waren om een kant te kiezen. De Three Percenters hebben officieel wel afstand genomen van de neonazistische demonstranten die het hart vormden van de betoging.

Wel is duidelijk dat anti-overheidssprekers als Alex Jones het beter doen dan ooit: Jones heeft naar eigen zeggen elke maand 6 miljoen luisteraars. Donald Trump belde na zijn verkiezingsoverwinning zelfs in om Jones te bedanken voor de steun.